Snijbiet

Snijbiet, warmoes (Beta vulgaris)

In het plan van St. Gallen (820) komt deze soort voor en ook op de lijst van Karel de Grote (812). Het was in de tijd van de Romeinen en de Middeleeuwen een geliefd kruid. Wij beschouwen warmoes nu als ‘vergeten’ groente. De grote groene bladeren werden vroeger onder meer gebruikt bij het trekken van bouillon. Thans is het geliefd als een soort spinazie en worden de gezonde bladeren in allerlei stoofschotels gebruikt.

Bij deze snijbiet en variaties die je nu in de handel kunt krijgen zoals de Gewone groene (warmoes- die het meest lijkt op de oude soorten) Lucullus en Rhubard Chard, gaat het om het blad. Er zijn ook variaties met brede en gekleurde bladstelen, ribben, die gestoofd worden (Beta var. Var Flavescens).

Alle bieten-soorten waar het niet om het groen, maar om de wortel gaat (kroot en suikerbiet) zijn later ontwikkeld. De wortel van de snijbiet wordt niet gebruikt.

Slaapbol

Slaapbol (Papaver somniferum)

Zijn hoofd vol pitjes reikt de hoogte in,
bungelend bovenop een lange nek. (…)
Hij werkt bij een abces in keel en long,
dat soms een stroom van bitter slijm opstuwt.

Abt Walafried Strabo

Somniferum  is Latijn voor ‘ slaapverwekkend’. In Griekenland was het dan ook het attribuut van de god van de slaap: Morpheus. Het gedroogde melksap uit de groene bollen levert opium. Hierin zit onder meer morfine dat sinds ca. 1650  de basis is van pijnbestrijding in de geneeskunde. De slaapbol wordt al vermeld op een Sumerisch kleitablet uit ca. 3000 vóór Christus en wordt thans verbouwd in Afghanistan, Thailand, Burma en Laos omdat daar de omstandigheden geschikt zijn voor een hoog, verslavend morfinegehalte. De rijpe zaadjes bevatten geen morfine en zijn niet verslavend.

In onze streken worden de slaapbol verbouwd vanwege de zaden (maanzaad) en de olie die men daaruit perst. Die olie gebruikt men voor zeep, zalven en verven. Vroeger gaf men kinderen wel slaap-thee die werd gezet van gedroogde vruchtbollen

Sint-Janskruid

Sint-Janskruid (Hypericum perforatum)

Het kruid werd beschouwd als een heilig kruid om het kwade te weren. Sint-Jan is een evrwijzing naar Johannes de Doper. Deze voorloper en wegbereider van Jezus, wordt zes maanden voor de geboorte van Jezus (zie Lucas 1, 26-28) herdacht. Omdat de geboortedatum niet bekend is, werd die bepaald door een bijbeltekst uit Johannes 3, 30 die zegt : “Hij moet groter worden, en ik kleiner”. Rond  24 juni neemt de zon in kracht af om rond 24 december weer met kracht de aarde te verlichten. Zo ervaren wij dat op het Noordelijke halfrond, waar ook het geboorteverhaal van Jezus ontstond.

Een legende verhaalt dat de duivel de geneeskracht van het Sint – Janskruid  heeft willen breken door met zijn klauwtjes gaatjes in het blad te prikken (perforatum). In de bladeren zitten oliekliertjes die op gaatjes lijken. Als je de knoppen tussen je vingers wrijft, komt er rood sap uit. Men zag hierin een verwijzing naar het bloed dat vloeide toen Johannes onthoofd werd.

 

Sint – Janskruid, vaak samen met ander kruiden gebundeld in een Sint-janstros, wordt nog steeds als ritueel kruid gebruikt. Ook worden er kransen van gemaakt.

Gebruik het verse kruid niet rechtstreeks in voedsel of drank. Het bevat stoffen die voor de huid, blootgesteld aan zonlicht, nadelig zijn. Gedroogd kan het wel gebruikt worden, bijvoorbeeld in thee. Of maak een Sint-Janskruidwijn samen met citroenmelisse.

Sint-Jansolie is een huismiddel bij wondjes. Er zijn nog steeds kloosters waar men Sint-Jansolie bereidt door de bloemen en bloemknoppen in olie enige tijd te laten staan. De olie krijgt een rode kleur. Als wondmiddel wordt het toegepast. Zorg dan er wel voor dat de wond de huid niet aan zonlicht wordt blootgesteld: er gaat een verbrandende werking van uit!

Meer kruiden dragen als volksnaam Sint – Janskruid omdat ze rond deze dag bloeien, zoals margriet

Selderie

Selderie (Apium graveolens)

In de tuin staat ook gewone selderie,
vooral geliefd omwille van zijn smaak,
maar ook als medicijn
verleent hij gaarne
goede diensten:
wrijf wat zaadjes fijn
en neem ze in:
het werkt bij plasproblemen.

Abt Walafried Strabo

Een oude bekende, ook voor Plinius die de plant reeds beschrijft. In die tijd werd de plant gebruikt als middel tegen misselijkheid en als vochtafdrijvend. Zo kent ook Walafried Strabo de geneeskracht. De typische geur en smaak kom je tegen in allerlei soorten selderij die tegenwoordig als groente op de markt zijn zoals bleekselderij en knolselderij.

Als kruid worden vooral blad- en snij-selder beschouwt. In de tijd van Walafried Strabo (9e eeuw) was het al een alledaagse, geliefde tuinplant. De hedendaagse variëteiten wijken nogal af van de oude soort zoals Plinius en abt Walafried Strabo die kenden. We kennen inmiddels ook bleekselderij en knolselderij.

Salie

Salie ( Salvia officinalis)

Vooraan prijkt,
op de eerste rij de salie.
Geurig, sterk
en prima om te drinken.
Zij werkt probaat
bij tal van mensenkwalen
en blijft om haar verdiensten
immer groen.

Abt Walafried Strabo

Al eeuwenlang is salie een kruid dat goed is voor vele kwalen. De Latijnse naam salvare betekent ‘redding’ (denk aan Christus Salvator). Het kruid ontbrak in de 9e eeuw in geen enkele kloostertuin. Ook in boerentuinen kreeg het een plek in de kruidentuin.

Geneeskrachtige kruidenwijnen bevatten vaak salie. De blaadjes zijn lekker om op te kauwen. In soepen en vissauzen past het prima. Men trok van de aromatische blaadjes thee (Franse thee is één van de volksnamen) maar men gebruikte dat ook als kompres voor wonden. Geneeskrachtige kruidenwijnen van monniken bevatten vaak salie. Het kruid bevat ontstekingsremmende stoffen..

Op 17 september, de gedachtenis- of herdenkingsdag van Lambertus van Maastricht (ca. 647-705) werden lampen versierd omdat rond deze dag de lampen weer worden aangestoken De dagen worden korter, de avonden langer. Er werd saliemelk gedronken en anijsbeschuitjes gegeten.

Lambertus werd de 21e bisschop van Maastricht. Hij wordt aangeroepen bij verschillende ziekten en verlamming. Hij is patroon van chirurgen, tandartsen en makers van breukbanden.

Saffraancrocus

Saffraancrocus  (Crocus sativus)

Saffraan is één van de oudste cultuurgewassen. In de bijbel (Hooglied 4,13-14) wordt de lof van een geliefde bezongen met beelden van geurende balsems, kalmoes, nardus, kaneel en saffraan.

De gele saffraandraadjes zijn het vruchtbeginsel (stempel en een stukje stijl) van de bloem van de krokus die in het najaar bloeit en zich met name in een warm, zonnig klimaat thuis voelt. Eén draadje is ca. 5 mg saffraan, daarom is saffraan kostbaar. Onder meer in Zuid-Frankrijk is het nog steeds een cultuurgewas.

Rucola

Rucola  (Eruca sativa)

Karel de Grote bepaalde dat ook dit één van de gewenste planten in tuinen was. Rucola is de laatste tijd als kruid gewild door de pittige, mosterdachtige smaak. Het is een geliefde toekruid in allerlei salades. Of moet je zeggen dat het een groente is, want gekookt blad smaakt als pittige raapstelen. Ze worden dan ook als zodanig op de markt gebracht. Wilde rucola  zaait zich, als het in bloei komt, makkelijk uit in de tuin en komt jaarlijks terug. Hij schiet snel door, – als een raket-!

Rozemarijn

Rozemarijn (Rosmarinus officinalis)

In Zuid-Europa kan het een grote struik worden, tot wel 2 meter hoog. Van oorsprong groeide het vooral aan de kust: mare betekent zee. De bladeren, die op naalden lijken, bevatten aromatische olie. Als je de plant licht aanraakt, begint hij al te geuren. Dat was dan ook de reden dat hij vaak in potten bij toegangsdeuren werd gezet. De bloemen bloeien in de winter en vroege lente en geuren eveneens. Het is een vorstgevoelige plant.

Als keukenkruid is het al bekend sinds de Egyptisch Oudheid en is toen reeds in cultuur gebracht. De naaldjes worden klein gesneden of met een mortier fijngemalen.

Als geneesmiddel bevordert het de spijsvertering en de doorbloeding.

Bij de Grieken werd de plant een symbool van de herinnering aan liefde en vriendschap. Daarom werd ze gebruikt bij zowel begrafenissen als bruiloften.

Roos

Roos (Rosa sp.)

De abt Walafried Strabo besluit zijn tuin-gedicht met een passievolle tekst over de roos:

De donkerrode bloem met gulden bloesem (..)
zijn kracht en kleur
gaan al wat groeit en bloeit
zozeer te boven dat hij met recht
de ’bloem der bloemen heet’.
Men trekt er naar hem genoemde olie van,
die uitkomst brengt bij vele soorten kwalen.

Walafried denkt daarbij waarschijnlijk  aan de Franse roos, Rosa gallica. De apothekersroos R. Gallica officinalis is daarvan een gekweekte vorm.

Vroeger werd rozenolie gemaakt door een extract van bloemblaadjes en olie.

In de kloostertuin van het Openluchtmuseum staat ook de in de natuur voorkomende hondsroos (Rosa canina) die met vele rode bottels de herfst kleur geeft.

Bekend is inmiddels de doorbloeiende, sterke (Japanse) bottelroos Rosa rugosa waarvan de bottels groot en dik zijn en prima voor jam bruikbaar.

De bloemblaadjes van deze roos, maar ook van andere soorten, zijn geschikt om te drogen of vers te gebruiken.

Roomse kervel

Roomse kervel (Myrrhis odorata)

Deze vaste plant komt vooral in boerentuinen voor, met name in het Oosten, omdat het blad in streekgerechten zoals kruudmoes wordt gebruikt.

Oorspronkelijk groeit zij in de bergen van Zuid-Europa. Het aroma van de plant lijkt op mirre, vandaar de naam “myrrhis”. De zaden worden onder meer in Chartreuse likeur gebruikt.

Als volksgeneesmiddel werd het gebruikt als slijmoplossing. Dat verklaart het voorkomen in boerentuinen.

Het jonge blad moet men niet meekoken. Roomse kervel wordt soms ter vervanging van kervel gebruikt, maar de smaak is zachter, zoet anijsachtig. De onrijpe zaden kunnen in sauzen worden gebruikt. De wortels worden wel gesuikerd en gebruikt als garnering of snoepgoed of kun je als pastinaak roerbakken in olie of koken.