Zevenblad

Zevenblad  (Aegopodium podagraria)

Podograria betekent ‘ziek aan de voet’. Vroeger werd de plant ook wel voeteuvelplant genoemd omdat hij gebruikt werd bij jicht aan de benen. Gerardus van Brogne († 959 Frankrijk) zou zelf het kruid gebruikt hebben bij zijn jicht. Gerardus van Brogne was militair, maar werd Benedictijn in 921 en stichtte later op zijn eigen landgoed een klooster. Hij bracht de regel van Benedictus ook naar andere kloosters in de Lage Landen.

Behalve Gerardskruid en de Latijnse naam ‘Herba Sancta Gerardi’, zijn ook de namen Herbe de Saint Gérard, Herba de San Gerardo, Erba Gerarda, Gerhardstkraut bekend. Hieruit blijkt dat in veel Europese landen zevenblad aan deze heilige herinnert.

Wilde marjolein

Wilde marjolein (Origanum vulgare)

Deze vaste plant, die in de Lage Landen in de natuur voorkomt en veel bijen en vlinders trekt, wordt vaak verward met de echte marjolein uit Zuid-Europa die ook wel majoraan of oregano genoemd wordt.

In Nederland wordt wilde marjolein het ook wel palingkruid genoemd. In de Middelleeuwen werd het als geneeskruid gebruikt.

Hondius dichtte :

So het hooft geheel van couwe, pijnelicken ongestelt…
heete cruyden van het velt stillen haar gedrongen pijn:
marjoleine, roosmarijn..

Tegenwoordig wordt het in de geneeskunde niet meer gebruikt.

Wilde cichorei

Wilde cichorei  (Cichorium intybus)

Daar staat ze, de wilde cichorei langs rivieren en wegen, met de hemel in haar blauwe bloemen. Een legende vertelt dat de bloem ontstaan is uit een meisje. Zij stond dagenlang langs de weg op haar geliefde te wachten die ten strijde was getrokken in een vreemd en ver land. De bloem wordt dan ook verbonden met hemelse trouw. Daarom werd het ook een Mariabloem.

Het is de voorloper van andijvie en witlof. De bittere smaak van het blad (zwijnensla is een volksnaam) herinnert daaraan. De gedroogde en geroosterde wortels zijn als koffiesurrogaat bruikbaar, blad en bloemen in salades.

Waterkers

Waterkers  (Nasturtium officinale)

De witbloeiende waterplant, een liggend kruid tot 90 cm lang, komt in Nederland in de natuur zeldzaam voor. Vanaf oudsher wordt hij gebruikt als geneeskrachtig kruid en als voedselplant. Hij bevat veel ijzer, een middel tegen bloedarmoede. Hildegard van Bingen gebruikt het als middel tegen koorts. De jonge blaadjes worden als sla gegeten. Het is geliefd als garneerkruid en door de pittige smaak, sterker dan tuinkers, ook in kruidenboter en roomsauzen en als smaakmaker in soep. Daarom wordt hij inmiddels ook gekweekt en als kiemplant op de markt gebracht. In Portugal en andere landen van Europa waar hij wel volop langs stromend water groeit, worden de bladeren gegeten als spinazie en sla.

Waterkers behoort evenals mierikswortel tot de bittere (scherpe) kruiden op de sederschotel bij het Joodse Paasfeest als herinnering aan de bittere tijden als onderdrukt volk in Egypte.

Vingerhoedskruid

Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

Het is een geneeskrachtig (giftig) kruid, waarvan de stoffen gebruikt worden bij hartkwalen.

Het kruid wordt ook Elisabethskroed (in Twente) genoemd. Elisabeth van Hongarije († 1231 Thüringen). Elisabeth was een koningsdochter die in Franciscaanse geest werd opgevoed. Tijdens een hongersnood in 1226 bracht zij vaak brood aan de armen. Een legende verhaalt dat haar broodmand in rozen veranderde toen zij betrapt werd. Ze hielp veel zieken en daarom dragen veel ziekenhuizen haar naam.

Door de vorm van de bloem kreeg het ook de volksnamen Onze Lieve Vrouwe vingerhoed en Judasbeurzen

Venkel

Venkel (Foeniculum vulgare)

Venkel wil ik graag met ere noemen,
zijn matig zoete smaak en dito geur.
(…)
Venkelzaad met geitenmelk
werkt verzachtend bij verstopping
en brengt trage darmen weer in beweging.
Venkelwortel,
door wijn geroerd,
helpt tegen hoest.

Abt Walafried Strabo

Venkel begon, zoals de meeste kruiden, als geneeskruid, maar werd door de smaak keukenkruid. Venkelknollen zijn gekweekte varianten met extra dikke bladscheden aan de onderzijde. De wilde venkel, oorspronkelijk uit het gebied rond de Middellandse Zee, heeft smallere en langere bladscheden aan de onderkant en is vorstgevoelig.

Nog steeds wordt venkel gebruikt als huismiddel bij darmkrampen. Vis en venkel zijn geliefde combinaties. Venkel neutraliseert vette vis, bevordert de spijsvertering en voorkomt daarmee die krampen. Venkelzaden waren een onderdeel van Species diureticae, een kruidenmengsel samen met andere kruiden zoals anijs en vlierbloesem dat tot in de vorige eeuw werd gebruikt als “plaspil”.

De bladeren waren vroeger een onderdeel van St. Germain-thee, een laxeermiddel met daarin ook anijszaad. De gemalen zaden en het blad worden nog steeds in thee gebruikt.

Het fijne, grasachtige blad herinnert aan hooi: ‘fenumo’ in het Latijn.

Het wordt gebruikt als slijmoplossend middel bij hoest en verkoudheid. Thans zijn de zaden ook een lekkere versnapering. De armen deden dat vroeger al om het gevoel van honger te bestrijden. Om dezelfde reden werd dat in de vastentijd gedaan.

De zuidelijke zoete variant van venkel ‘dulce’ is bij ons moeilijk te kweken. Hier wordt meestal F. vulgare var. vulgare aangeboden. Ook de rood-bronzen variëteit Foenicum vulgare ‘Giant bronze’ is daarvan afkomstig.

Als groente wordt de variëteit knolvenkel gebruikt.

Valeriaan

Valeriaan (Valeriana officinalis)

“Valera” betekent in het Latijn ‘gezond.’ Het is een kalmerend en angst werend kruid en daarom in gebruik als slaapmiddel.

Het gebruik van dit kruid was reeds bekend bij Hippocratus. Als tinctuur is het nog steeds een goed middel tegen nervositeit.

Het kruid wordt ook Joriskruid of Joriswortel genoemd. Joris verwijst naar St. Joris , Georgius de Grote / van Cappadocië – uit de   3e eeuw die op 23 april herdacht wordt. Hij word gezien als bestrijder van het kwaad omdat deze Griekse soldaat volgens een legende een draak versloeg. Deze draak belaagde mensen. Nadat hem eerst schapen als voedsel  waren gegeven, kwamen kleine kinderen aan de beurt. Toen het  de beurt was voor  het dochtertje van de koning, versloeg  soldaat Joris de draak.  Hij werd heilig verklaard.

Tijm

Tijm (Thymus vulgaris)

Er zijn inmiddels veel variëteiten in cultuur. De meest sterke aromatische tijm is de zogenaamde “Franse zomertijm”, of echte tijm, Thymus vulgaris: een klein wintergroen struikje met fijne, kleine blaadjes en licht lila bloemetjes in juni. Tijm groeit van nature in de landen rond de Middellandse Zee. De blaadjes behouden bij drogen hun aroma.

Wilde Kruiptijm, Thymus serpyllum, is een soort die tot ver in het Noorden van nature voorkomt. Ook daarvan worden vele cultuurvarianten aangeboden. Een voorbeeld is citroentijm die met haar lichtgroene/gele bladeren naar citroen smaakt.  In siertuinen is de grote tijm Thymus pulegioides, favoriet, vanwege de compacte groei.

Tuinkers

Tuinkers (Lepidium sativum)

Het kleine groene kruid wordt ook wel bitterkers genoemd of sterkers. Omdat het zaad snel kiemt en groeit, is het geliefd in kindertuinen.

Reeds in het oude Egypte was het bekend als toekruid in salades. In latere culturen van Grieken en Romeinen werd het gegeten als groente. Zowel de dunne stengels als het fijn gedeelde blad hebben smaak. Het kan op een boterham. De volksnaam ‘boterhamkruid’ verwijst daar naar. Een snuf zout of wat citroensap accentueert de smaak. Mengen met zachte kaassoorten smaakt prima.

Stengelui

Stengelui (Allium fistolosum)

Bos-ui of lente-ui  Allium cepa ‘ ascolonicum’ en nieuwe rassen

De naam zegt het al: het gaat hier niet om de ui, de bol, maar om de buisvormige, groene stengels. Die werden in de Middeleeuwen geliefd bij het bereiden van maaltijden. Stengelui en sjalot  (Allium cepa ‘ascolonicum’ ) komen voor op de lijst van Karel de Grote (812).  Sjalot is van oorsprong afkomstig uit Fenicië, de stad Askelon (Ascolonicum in de Latijnse naam) thans Israël. De kleine uitjes zijn langwerpig. Ze werden door de kruisvaarders meegenomen naar het Noorden vanwege hun fijne smaak. In Duitsland krijgen ze de naam Edelzwiebel. Ze zijn ook in de Lage Landen als kleine, smaakvolle ui te koop. Sjaolot wordt tegenwoordig beschouwd als een variatie van de gewone ui (Allium cepa). Sjalot geeft meerdere kleine bolletjes,  een ui groeit uit tot een grote bol. Ik plant het kleine uitje  omdat ik in het voorjaar het heerlijke  blad snijd. Stengelui  (Allium fistulosum) vormt geen bol, maar frisgroen buisvormig loof, dikker en holler dan bieslook. Lente-ui, en bos-ui  zijn bladvormen van Allium cepa.

In de tijd van de Babyloniërs, Grieken en Romeinen wist men het kruid ook reeds te waarderen. Alle uiensoorten stimuleren de spijsvertering.