«

Kloostertuinen van beschouwende, contemplatieve orden

Omdat beschouwende orden zoals Benedictijnen, Trappisten en zusters Clarissen en Karmelietessen, niet afhankelijk wilden zijn van de buitenwereld en zoveel mogelijk in stilte hun beschouwende leven leidden, werkte men vroeger vooral op het land of in de tuin om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Hun kloosters staan vaak op afgelegen plaatsen. Hun tuinen dragen nog steeds sporen van de oorspronkelijke verdeling in nutstuinen, stiltetuinen, tuin voor ontspanning en voor gedachtenis.

nutstuin

Zo lang mogelijk zijn eigen religieuzen nog op een of andere wijze betrokken bij het onderhoud, soms met hulp van buiten, vrijwilligers of professionele hoveniers.

Tuinaanleg
De tuinen waren vroeger vooral nutstuinen (moestuin, boomgaard, dieren). De aanleg is gaandeweg door de religieuzen zelf ter hand genomen en soms gebaseerd op:
· symbolische padenpatronen (kruisvorm)
· symboliek van het vierkant (pandhof - het nieuwe Jeruzalem)
· het getal acht, het getal van het nieuwe begin (stervorm).
Een uitzondering vormen de enkele kloostertuinen (Vaals en Oosterhout) waarbij architect en benedictijn Dom van de Laan betrokken is geweest.